Wie droomt hier niet van???

home

1.   Zithouding

De zithouding op het circuit is, net als op de openbare weg erg belangrijk. In de eerste plaats moet men ervoor zorgen dat men goed zit. Dus niet op een onnatuurlijke manier te ver buiten de motor hangen om toch maar die knie tegen de grond te krijgen. Verder is circuitrijden een fysieke bezigheid, dus moet men ook actief bezig zijn op de motor. Een groot deel van het tijdsverschil tussen getrainde en niet getrainde rijders zit hem net in het gebruik van fysieke kracht: duwen op voetsteunen, trekken aan het stuur en het van links naar rechts bewegen van het eigen gewicht.

Probeer er van begin af aan een gewoonte van te maken om de handen twee functies te geven. Houd altijd twee vingers (klassiek de pink en de ringvinger, maar bij sommigen ook de middenvinger en de wijsvinger) aan het stuur en gebruik de andere twee om rem en koppeling te bedienen. Op die manier is de motor veel beter in de hand te houden en is het gemakkelijker te reageren op onverwachte bewegingen van de motor.

De positie van de voeten verdient ook de nodige aandacht; tenen op de steunen is een goede positie op het lange rechte eind, maar is zeker niet de beste positie. Op de binnenste voetsteun kan men vaak niet anders daar er anders grondspelingsproblemen opduiken, maar de buitenste voet kan men beter de `bal' van de voet op de voetsteun plaatsen. Hierdoor kan men altijd gecontroleerd drukken op de steunen, en dat is erg belangrijk tijdens het rijden. De reden hiervan is tweeledig: enerzijds kan men door te duwen de motor op hellingshoek dwingen, en anderzijds, en dat is nog veel belangrijker, kan men bij het uitkomen van de bocht, door te duwen op de buitenste voetsteun meer grip creëren. Voor de ietwat kleinere mensen onder ons kan het handig zijn er een gewoonte van te maken om met de ellebogen tegen de tank te leunen. De motor wordt als het ware omklemt, waardoor er een directere feedback ontstaat, en fungeren de armen indien nodig, gedeeltelijk zelf als stuurdemper. Een gegeven is dat de mens zelf ca. 20 a 30 % van het totale gewicht uitmaakt. Aannemelijk is dat de plaatsing van het zwaartepunt belangrijk is op een motor, en dat de centralisering van die twee extra kilo's van belang zijn, Besef dat het ongunstigste gewicht de rijder zelf is. Maak tijdens het rijden dan ook zo goed mogelijk gebruik van dat eigen gewicht, eerder dan ten laste: leun in een bocht naar voor, bij het remmen naar achter, en vooral: blijf stil zitten tijdens een `actie'. In dat opzicht is het erg belangrijk met het lichaam te anticiperen op wat komen gaat: ga tijdens het rechtdoor remmen al met een bil naast het zadel zitten, en wees klaar voor de bocht zodat men in de bocht niet meer hoeft te verzitten. Wanneer dit toch moet (chicanes) dan moet men dat zo soepel mogelijk doen, en eerder met de voeten dan met de handen, met de handen aan het stuur trekken om te verzitten brengt veel onrust in de motor en kan al snel een "tankslapper" of andere problemen uitlokken. Kleine stuurcorrecties zijn ook het makkelijkst en het best uitvoeren door het lichaamsgewicht te verplaatsen. In theorie is het zo dat je op circuit nooit echt op de motor zit, tenzij men zich op een recht stuk begeeft. Een goede oefening kan zijn om bewust te gaan rechtstaan, zeker bij het wisselen van kant op de motor, het zal dan sneller en soepeler gaan.  

 

2.      Referentiepunten en rij lijnen

Het grote verschil met de openbare weg is dat men op het circuit de volledige baan kan benutten. Dat moet niet, en soms is het gewoon trager als men dat doet, maar ze is er, en dan is het wel zo slim ze te gebruiken. Een tweede grote verschil is dat men op het circuit altijd dezelfde bochten neemt, en altijd dezelfde obstakels (op de andere rijders na dan) tegenkomt. Geen onverwachte putdeksels, witte strepen, dieselvlekken of tegenliggers. Daarom kan men de rondes rijden zonder er aandachtig bij na te denken. Wanneer men dat doet, heeft men voldoende concentratie vrij om zich met andere zaken bezig te houden zoals de ideale lijn, de feedback van de banden en de eventuele kleine veranderingen aan de vering. Om rond te rijden zonder erbij na te denken moet men zorgen dat men referentiepunten heeft,  en die blindelings te gebruiken. Bijvoorbeeld een rempunt, een insteekpunt, een herkenningspunt van de apex,... In de eerste sessies dat men op een parcours rijdt consenteert men zich dan ook volledig op het zoeken, vinden, vastleggen en onthouden van die referentiepunten. Ze helpen niet alleen voor het vrijmaken van concentratie, maar ook zullen goede referentiepunten je helpen om sneller en vooral constanter je rondes te rijden. Alle statische objecten komen in aanmerking als referentiepunt, van een kerb-stone tot een streep, een scheur, een reclamepaneel, enz,. Maar gebruik geen schaduw, personen of vlaggen, want die kunnen in de loop van een sessie veranderen. Rijlijnen zijn zo mogelijk nog belangrijker dan referentiepunten, omdat ze meteen van invloed zijn op de rondetijden, maar het ene gaat niet zonder het andere: wie rijlijnen wil vasthouden moet referentiepunten hebben, en als men referentiepunten heeft, zal vanzelf een bepaalde rijlijn aanhouden. Een groot deel van de winst op het circuit is trouwens te halen in het afkijken van anderen: kijk welke lijn zij rijden en of ze al dan niet sneller zijn, en probeer dat na te doen. Verder moet men een rijlijn verder zien dan een bocht. Een circuit is per definitie ontworpen om de coureurs te misleiden en te hinderen. De meest toegepaste truc daarbij is om de rijder met een bepaalde bocht tot een bepaalde rijlijn te verleiden zodat deze in de problemen komt voor al de bochten die volgen. Niet doen dus, wanneer men een nieuwe bochtencombinatie tegenkomt, probeer dan altijd de rijlijn vast te leggen door met de laatste bocht te beginnen. Afhankelijk van hoe men die moet aansnijden, weet men hoe men uit de voorlaatste moet komen, en zoverder. Op die manier komt men uiteindelijk te weten hoe de eerste bocht van een combinatie aangesneden moet worden.

3. Kijktechniek

Er is niets zo, eenvoudig en tegelijk zo verraderlijk voor de circuitrijder als kijktechniek. Er geldt maar een regel en dat is: men rijdt naar waar men kijkt, dus moet men kijken naar waar men wil rijden. Pas deze volgorde dan ook bewust toe, in plaats van eerst te manoeuvreren en dan pas te kijken waar men uitkomt. De meeste valpartijen bij onervaren rijders zijn te wijten aan het feit dat de rijder star blijft kijken naar een punt waar hij helemaal niet naar moet kijken. Als men zichzelf bijvoorbeeld verremt, dan moet men niet naar de grindbak kijken. Concentreer op eigen lijnen en vooral referentiepunten, dan zal men zien hoe makkelijk het is om iemand in te halen. Maar wat vaak naderen (beginnend) circuitrijders anderen welke 2 a 5 seconden per ronde trager zijn, maar waar ze toch niet voorbij komen. Dat ligt grotendeels aan het feit dat ze zich te veel focussen op hetgeen wat de ander doet en waar die rijdt en op die manier zichzelf buiten spel zetten. Wanneer men alleen rijdt moet men altijd twee stappen verder kijken dan het punt waarop men is, enerzijds moet men het volgende referentiepunt al in het vizier hebben om te weten wat de volgende beweging zal zijn, en anderzijds moet men het daaropvolgende referentiepunt alweer herkend hebben.

4. Remtechniek en insturen

Een bocht nemen begint al bij het punt waarop men gas dicht draait. Dan is het meteen ook tijd om te remmen, en de manier waarop men dat doet, bepaalt voor een groot deel het gemak of het ongemak waarmee men een bocht aansnijdt. Het best neemt men zo snel mogelijk een referentiepunt. Waar men dan altijd daar begint te remmen, dit kan men reeds na een paar rondjes vaststellen hoeveel te vroeg (of erger, te laat) men kan aangrijpen, en vervolgens het referentiepunt verleggen. Zo komt men automatisch op een trefzekere en veilige remafstand uit. Zoals eerder genoemd moet men al naar het insteekpunt kijken voordat men het rempunt bereikt heeft, om te weten waar men uit wil komen. Vanaf het eerste remmoment gaat met onmiddellijk rechtop zitten met zo goed als gestrekte armen. Het beste is dat men zich letterlijk rechtzet en naar achter duwt op de voeten (dat zorgt voor de meeste stabiliteit). Tijdens het remmen moet men zich ook al meteen in de positie brengen waarin men wil zitten als men in de bocht ligt. Men gaat dus een stuk uit het midden van het zadel zitten en steekt de knie al wat uit. Op die manier gebeurt het insturen zelf op een soepele, vloeiende manier. Schakel ook rustig terug, eventueel met wat tussengas, en houd altijd een of twee vingers op de koppeling bij het ingaan van de bocht: mocht de motor beginnen te stuiteren, dan volstaat het er even de koppeling bij te nemen om hem terug rustig te krijgen. Los ook de rem niet te bruut, op het circuit is het in elk geval de gewoonte tenminste de eerste stuurbeweging te maken terwijl men nog iets aan het remmen is, de geometrie is immers van die aard om sneller te sturen als men aan het remmen is. De ideale manier is te remmen tot halverwege de bocht, waarna men meteen terug op het gas kan. Tussen ideaal en uitvoerbaar is natuurlijk nog een groot verschil….Men dient ervoor te zorgen bij het insturen dat men niet bruut beweegt. Wel snel, want de tijd die men gebruikt om van een rechtopstaande motor naar de maximale hellingshoek te gaan , moet zo kort mogelijk zijn, het is grotendeels verloren tijd die men beter kan benutten om effectief te draaien. Een laatste opmerking betreft de achterrem. Deze heeft zeker op het circuit geen remmende functie, wel een stabiliserende. De achterrem wordt daarbij wel veel gebruikt om te sturen, maar dat vereist de nodige techniek. In het kort kunnen we stellen dat even de achterrem indrukken terwijl men nog volgas (!) rijdt net voor een rempunt, de achterveer zal belasten en dat men op die manier een stabiliserend effect krijgt bij het remmen. Anderzijds kan men midden in een bocht op de achterrem duwen om de motor meer naar binnen te "trekken". Ook hier geldt echter dat men wel gas blijft geven, zodat het achterwiel niet blokkeert. Vergeet echter niet dat men met de voet niet zo nauwkeurig is als met de hand.  Wie deze techniek wil leren, kan dat het best rustig proberen, en het heel langzaam opbouwen. Wie hem beheerst zal er niet meteen snellere rondes mee maken, maar zal wel veiliger en voorat soepeler rondjes draaien.

5. Apex en uitaccelereren

De apex van de bocht is het belangrijkste punt. Het is het punt waar men de kerbstones raakt en waar men in theorie terug op het gas gaat. Bij het merendeel van de bochten is er maar een apex. Het is zaak de apex zo snel mogelijk te vinden. Wanneer men de kijktechniek goed toepast, dan "ziet" men de apex als vanzelf, bij het ingaan van een bocht ziet men deze steeds verder draaien. Zodra men ziet dat de bochtstraal groter wordt, en de bocht als het ware wijder wordt, heeft men de apex gevonden: het is vanaf dat punt dat men terug op het gas kan, en hoe sneller de bocht wijder wordt, hoe meer men de motor terug rechtop kan zetten en hoe harder terug op het gas gegaan kan worden. Wanneer men in een bochtencombinatie ziet dat de bochtenstraal verkleint, moet men van het gas af en de motor dieper op hellingshoek brengen. Wie een goede kijktechniek heeft en goede referentiepunten zal dit op-en-af-het-gas spelletje als natuurlijk ervaren. Wie zijn kijktechniek niet goed onder de knie heeft en helemaal geen ,referentiepunten heeft daarentegen, zal een bocht, en zeker een combinatie van bochten altijd houterig nemen, en er niet snel doorkomen. Bij het uitaccelereren is het van belang om de motor zo snel mogelijk rechtop te zetten. Het is veiliger en als er iets misgaat, de motor is zo beter te controleren. De motor is rechtop te dwingen door op de buitenste voetsteun te duwen, waardoor men meteen ook meer grip heef.  Als men daarbij ook nog eens wat extra naar binnen leunt, is de motor helemaal rechtop te zetten, en stevig uit te accelereren. Zorg ervoor dat het ongeveer even lang duurt om het gas vol open te draaien als het duurt om de motor rechtop te zetten. Vooral hier geldt dat brute bewegingen sterk zijn af te raden.

6. Gedrag van de motor en afstelling

Het afstellen van een motor, zowel wat injectie/carburatie als wat geometrie en vering betreft, is een moeilijke zaak. Het eerste wat men zich moet realiseren is dat de mensen die de motor waarmee gereden wordt gemaakt hebben, daar lang aan gewerkt hebben, en veel mee getest hebben. Begin dus niet meteen aan van alles te draaien of te verstellen, want veelal is het een verslechtering dan een verbetering. Carburatie en/of injectie afstellen op gevoel is slechts aan weinigen toebedeeld. Meestal gaat men teveel af op het gehoor, en wordt daardoor makkelijk bedrogen. Zo klinkt een motor die te arm afgesteld is, veel en veel agressiever dan een goed afgestelde motor, waardoor men al snel het gevoel heeft dat hij beter loopt. Niet dus. Over het algemeen kan men aannemen dat zeker standaard motors vrij goed afgesteld zijn. Wanneer men een andere uitlaat, een andere luchtfilter of zelfs een raceblok laat monteren, vraag dan meteen aan een vakman om alles af te stellen op een testbank. In tegenstelling tot carburatie kan iedereen met een beetje logisch denken wel degelijk een stukje vering afstellen. Zolang men weet wat men doet, er goed bij nadenkt, en goed bijhoudt wat de veranderingen teweeg brengen, kan zelfs een beginnend circuitrijder al een heel eind komen. Er zijn echter wel een aantal gouden regels: In eerste instantie is het belangrijk de motor en het circuit goed te kennen. Vooral dat laatste is van uiterst groot belang, want wanneer men de baan niet kent, moet men er niet eens aan denken om een motor af te stellen. Zelfs voor mensen met veel ervaring is dat een moeilijke zaak, en veel meer dan wat algemene verbeteringen zullen zelfs zij niet kunnen doen op een baan die ze niet goed kennen. Begin dus niet meteen met het afstellen van de motor, maar zorg er eerst voor dat je je comfortabel voelt op het circuit. Voordat men zover is, moet men op zoek gaan naar een tempo dat men blindelings kan volhouden. De bedoeling is om op ca 80% van je kunnen te rijden en dat vooral constant te doen. Dan kan men het gedrag van de motor gaan beoordelen Op basis van bevindingen kan men aan het verstellen gaan. Schakel daarvoor in eerste instantie iemand in die er iets meer van kent, en die tips kan geven. Hou nota's bij van gedane instellingen. Methodiek en kleine stappen zijn hier de sleutel tot succes. Verander altijd maar 1 zaak tegelijk, om die afzonderlijk te kunnen beoordelen. Wanneer men een goede afstelling bereikt heeft, kan men proberen om iets harder door te rijden, en te zien wat het resultaat is. Slaagt men erin om met eenzelfde 80% inzet toch sneller te rijden, dan is de motor beter geworden. De meeste straatmotoren zijn er in elk geval mee gebaat om de gehele motor wat harder af te stellen dan standaard. Wat niet mag is de stelschroeven van de demping volledig dicht zetten, dan blokkeert  men de hydraulische werking en gaat de vering stuk.

 back

 


 

 

 

 

Deze pagina maakt deel uit van de website van MC de Bladerunner